Doorbloeiend Heimwee Lecturium 🛒 2011

NIET VOLDAAN

Ik trek eerst mijn jas uit, was tot nu toe mijzelf
dan mijn trui, hemd, sokken en mijn onderbroek
dit is niet genoeg, ik moet verder gaan
Scheer mijn grijze haren tot onder het heimwee
vragen breken open, antwoorden vallen weg
Zwijgzaam kijkt mijn moeder achterom
Scheer mijn oksels, borst, schaamhaar
zelfs mijn ballen laat ik niet onbestraft
Mijn ogen zijn donkerbruin als een tatoeage in het blonde dilemma
met mijn wijsvinger haal ik ze er één voor één uit
Ben niet tevreden, niet voldaan om aan te kunnen spoelen
luister naar mijn stem, ik bespeur een messcherp dialect
snij het weg met de stiletto van naaktmodellen
Nog steeds val ik uit de grazende kudde, vervloekte vreemdeling
tussen mijn verleden en heden woedt een burgeroorlog
blijven de sterren over de aardverschuiving vallen
trilt mijn hand in mijn schuilplaats
Mijn getinte huid verraadt mijn gehucht als een blinde vlek
langzaam doe ik mijn lichtbruine huid uit
alle aarzelingen bijeen schrapend, de hemel is van bloed
Loop als een slaapwandelaar in mijn eierschaal,
leugenaar van mijn eigen terreur, van mijn eigen vernedering
Nu lachen ze mij weer uit met hun blauwe ogen, met hun onbegrip
in hun blauwe glazen bol, ik de vervloekte bastaard
omdat ik weer zo anders ben, zo teder bevlekt

Opgenomen als lied in de CD van Johan Meijer
CD: Europeana Heute! Hier!
Vertaald door: Diete Oudesluijs

WIJ KREGEN EEN GEIT CADEAU

Wij kregen een geit cadeau
wat moeten wij met een geit dacht ik
een lelijk beest met een sik
om te grazen lieten wij haar in de tuin
eerst at ze het gras op, daarna de schuur, de schutting
waar is het mes, schreeuwde ik
wij moeten dat beest slachten
maak je geen zorgen zei mijn vrouw
het is maar een mager geitje
toen at het beest de voorgevel van het huis
waar is het mes, schreeuwde ik nogmaals
het is tegen de wet, zei mijn vrouw
om een geit te slachten in je huis
het dak van het huis was intussen verdwenen
wij moeten aan de wet gehoorzamen
zei mijn vrouw terwijl ze toekeek
hoe haar garderobe verdween in de bek van het monster
ik werd wanhopig, belde enkele vrienden
ook zij hadden een geit cadeau gekregen
het is ons lot zeiden de stemmen aan de andere kant
mijn hele huis was verdwenen in dat monster
nu loopt dat beest naar mijn auto
laat het beest met rust, zei mijn vrouw
wat hebben wij aan een auto
als wij geen huis meer hebben
toen liep de geit naar mijn vrouw
ze schreeuwde van angst om hulp
op de grond lag alleen nog het mes

PLUNDEREN

Toen ik aan de overkant kwam bij de berggeiten
waren de bomen blauw met bruine takken
de hemel geel
de wolken onvervulbaar oranje
de bloemen van edelstenen en zandkorrels
klaprozen zo zwart als ebbenhout

Ik zag groene koeien grazen op paars gras iets paradoxaals
paarden dronken roze water en hadden witte staarten met aardbeien
struisvogels vlogen hoog in dit landschap
ik kon erom lachen, ze konden nauwelijks vliegen
rivieren stroomden bergopwaarts tot ze weer sneeuw werden

Hier hoor ik thuis dacht ik
voelde mij behaaglijk
zelfingenomen, zelfverzekerd, opgelucht
opgetogen, hier was vrede zonder een profeet
toen riep een stem, “Kom terug
wij missen je kameraad, bondgenoot, vriend”
met de zachte stem van een maagd
zo vrouwelijk, zo warm, zo teder
wie kon het toch wezen dacht ik nieuwsgierig
en natuurlijk oeroerdom

Geïnteresseerd in de stem en haar verlangende kracht keerde ik terug
liep aandachtig naar het groene gras
naar de rode roos, naar de blauwe hemel, kleurloos water, gele tulpen
en naar de zon die langzaam opkwam om de aarde op te warmen
maar toen ik daar was, hoorde ik kinderen huilen
vrouwen werden door hun mannen geslagen, dieren mishandeld
en het onomkeerbare geweld verkropt in het geweten

Toen wist ik dat ik niet meer terug kon
ik was een onderdeel van onrecht en plunderen
ook al had ik alleen maar de onschuld

WOORDEN UIT EEN HEILIG BOEK

De wereld klapt zijn ramen dicht
als een doos die zijn deksel opent
Erin zitten reizigers
onder een treurwilg, imiterend
strijders van sektarisch geweld
om woorden uit elkaar te scheuren, te binden aan vernedering
Iemand kauwt een letter met speeksel van heiligen
niemand bevat de klank, noodgedwongen afgesneden ledematen
Een gezegde probeert te ontsnappen aan een verminking
kinderen huilen in gebaren

Commotie zit aan tafel, aan zijn kapstok een warboel
glunderen staat voor het aanrecht, expressie leeg peuterend
droefenis kookt zomaar wat, misschien een aanslag van het kapitaal
speelruimte is al in stukken geknipt als kwetsuur op sterk water

Op het karpet ingewanden van vrouwenrechten
Sommigen zwieren als een slang bang voor de arend
Sommigen snakken naar de zuiverheid van een verre lucht
Sommigen sidderen in hun bodemloze streven naar koloniaal besluit
Sommigen spugen naar de grensbewakers van aandeelhouders
Sommigen proberen te bijten in een eenpersoonsbed
Sommigen hakken zichzelf in sterfscènes

Sommigen zoeken elkaar op om de drenkelingen te redden
om in de chaos een nieuw woord te scheppen
Sommigen blijven stilliggen, onder een sluier van dood en eeuwigheid

De wereld klapt zijn ramen dicht, teleurgesteld
als laatste kijkt de profeet naar buiten vanuit zijn kantoor
met bitterballen in zijn hand

VOORDAT

Voordat ik door de voordeur naar binnen kwam
aan de overvolle tafel aanschoof
samen met de tafelgasten over de uitgespreide tuin keek
twee klontjes suiker in de thee roerde
Voordat men het over het weer had van vanochtend
vanmiddag
van morgen
en over de onafhankelijke media
de rechtvaardiging van de oorlog en de kandidatuur
Voordat de gastvrouw piano speelde
zodat woorden tot rust konden komen voor kruisbestuiving
waarna grappen gemaakt zouden worden over kleine aardse dingen
Voordat vrouwen over hun seks klaagden
de kinderen aan bod zouden komen met hun ziektes en rapportcijfers
de hond toch nog uitgelaten moest worden
de flessen weer leeg zouden raken op sympathieke vluchtwegen
gelukkige en bedronken mannen hun autoriteit wegzopen
Voordat de nacht weer meester zou zijn over drugs en zwervers
de verlichting in de slaapkamer zou aanspringen
Voordat ik ook maar iets kon zeggen over inburgeringsbeleid
kon men aan mij zien dat ik hier toch thuis was
een andere keuze had ik immers niet
zelfs ik was ervan overtuigd dat ik op deze drempel moest staan

maar een stem in mij weigerde om de voordeur te openen